aanvankelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·van·ke·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘bijwoord van tijd: in het begin’ voor het eerst aangetroffen in 1784 [1]
  • Afgeleid van aanvang met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e-
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aanvankelijk aanvankelijker aanvankelijkst
verbogen aanvankelijke aanvankelijkere aanvankelijkste
partitief aanvankelijks aanvankelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

aanvankelijk [2]

  1. in het begin, oorspronkelijk
    • Aanvankelijk was de aarde woest en ledig. 
    • Hoewel ze aanvankelijk vaak ruzie maakten zijn ze nu toch de beste vrienden. 
    • Dan komen er chips of pinda's in een bakje, en aanvankelijk zijn de jongens heel blij, maar dan kan het ook gebeuren dat er een paar minuten later ruzie is, zo vertelt de dominee. [3] 
Vertalingen

Bijwoord

aanvankelijk [4]

  1. in het begin
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen