aanhorig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ho·rig
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen aanhorig
verbogen aanhorige
partitief aanhorigs

Bijvoeglijk naamwoord

aanhorig

  1. aanbehorend, horend bij
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

66 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be