Wirtschaft

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Duits

Uitspraak
  • IPA: /ˈvɪʁtʃaft/
Woordafbreking
  • Wirt·schaft
Woordherkomst en -opbouw
  • [1] Afgeleid van Wirt (waard, gastheer) met het achtervoegsel -schaft.
  • [2] Door betekenisuitbreiding ontstaan uit [1].
  • [3, 4] Overdrachtelijk vanuit [2].

Zelfstandig naamwoord

Wirtschaft v

  1. café, herberg
    «In die nächste Wirtschaft kehren wir ein.»
    Bij het eerstvolgende café gaan we naar binnen.
  2. huishouden
    «Sie führte eine sparsame Wirtschaft
    Ze leidde het huishouden op een zuinige wijze.
  3. landbouw, boerderij
  4. staatshuishouding, economie
    «Die Wirtschaft befindet sich auf Talfahrt.»
    De economie bevindt zich in een negatieve spiraal.
Verbuiging
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • polnische Wirtschaft
    • (schertsend) slordige kamer, slordig gevoerd huishouden