Gschicht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • Gschicht
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Middelhoogduits
  • Pennsylvania-Duits zelfstandig naamwoord met het voorvoegsel g-
[1] enkelvoud
(onbepaald)
enkelvoud
(bepaald)
meervoud
(onbepaald)
meervoud
(bepaald)
nominatief en Gschicht die Gschicht - -
datief re Gschicht der Gschicht - -
accusatief en Gschicht die Gschicht - -
[2-3] enkelvoud
(onbepaald)
enkelvoud
(bepaald)
meervoud
(onbepaald)
meervoud
(bepaald)
nominatief en Gschicht die Gschicht Gschichde
Gschichte
die Gschichde
die Gschichte
datief re Gschicht der Gschicht Gschichde
Gschichte
de Gschichde
de Gschichte
accusatief en Gschicht die Gschicht Gschichde
Gschichte
die Gschichde
die Gschichte

Zelfstandig naamwoord

Gschicht, v

  1. (geschiedenis) geschiedenis
  2. verhaal
    «So was kenne mir vun sellre Gschicht lanne?»
    Dus, wat kunnen we leren van dit verhaal?
  3. affaire, verhouding
Afgeleide begrippen
Opmerkingen