Naar inhoud springen

affaire

Uit WikiWoordenboek
  • af·fai·re
  • van Frans affaire, in de betekenis van ‘zaak’ voor het eerst aangetroffen in 1300 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord affaire affaires
verkleinwoord affairetje affairetjes

deaffairev/m

  1. zakelijke of vervelende aangelegenheid die langere tijd aandacht vraagt
    • Deze affaire werd breed in het nieuws gebracht. 
     In een interview in 2009 met Mare zei Buikhuisen dat hij nog altijd last had van de affaire. Hij zei nog elke keer te hopen op een verontschuldiging als hij post kreeg van de universiteit. "Dat ze gewoon een beetje erkennen: we zijn toch wel tekortgeschoten. Ik zou daar heel blij mee zijn."[3]
  2. geheime verhouding met een ander dan de vaste partner
    • Hij was een affaire aangegaan met zijn bazin. 
     Met deze zet toverde ze zijn affaire om in een vrijbrief voor haar eigen pleziertjes.[4]
100 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[5]
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  affaire     l'affaire     affaires     les affaires  

affaire v

  1. affaire, kwestie, zaak
  2. (spreektaal) deal [1]
  3. (spreektaal) liefdesaffaire
    «Dis moi, où en sont tes affaires
    Zeg eens, hoe is het met de liefde? [1]