zeilen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zei·len
Woordherkomst en -opbouw
- Werkwoord afgeleid van het zelfstandignaamwoord “zeil”
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| zeilen |
zeilde |
gezeild |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
zeilen
- (techniek) voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
- Op het strand zal weer met zeilwagens worden gezeild.
- (scheepvaart) zich in een zeilboot met behulp van de wind over het water voortbewegen
- Nog altijd is het rond de wereld zeilen een avontuurlijke onderneming.
Synoniemen
- [2,3] windsurfen
Afgeleide begrippen
- [1] ijszeilen
- [2,3] omzeilen, bezeilen
- [3] wedstrijdzeilen
Verwante begrippen
- [1] ijsboot, ijsjacht, motorzeiler, zeil, zeiljacht, zeiltocht, zeilvaart, zeilwagen
- [2,3] drijven, kanoën, motoren, roeien, solozeilen, stomen, toerzeilen, varen, zeezeilen, zeilboot, zeilschip, zeilplank
- [3] rak, regatta, wedstrijd
Spreekwoorden
- voor de wind zeilen
- met de wind mee zeilen
- tussen de klippen door zeilen
- alle hindernissen omzeilen
- de meeuw zeilt door de lucht
- de meeuw zweeft door de lucht (vliegt zonder zijn vleugels te bewegen)
- de dronkaard zeilt over straat
- zwalken
Vertalingen
2. varen met zeilschepen
Zelfstandig naamwoord
zeilen o
- (sport) een wedstrijdsport met zeilvaartuigen
- Bij het onderdeel zeilen, staat het Nederlandse team er uitstekend voor.
zeilen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zeil