zeilen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
IJszeilen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zei·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Werkwoord afgeleid van het zelfstandignaamwoord “zeil
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zeilen
zeilde
gezeild
zwak -d volledig

Werkwoord

zeilen

  1. (techniek) voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
    Op het strand zal weer met zeilwagens worden gezeild.
  2. (scheepvaart) zich in een zeilboot met behulp van de wind over het water voortbewegen
    Nog altijd is het rond de wereld zeilen een avontuurlijke onderneming.
  3. (sport) het beoefenen van het zeilen als sport
    Hij zeilt voor Nederland tot na de Olympische Spelen.
  4. (sport) ketsen, een steentje met een afgeplatte vorm scherend over een wateroppervlak gooien zodat het zo vaak mogelijk stuitert
    Zo'n ronde kiezel is niet geschikt om te zeilen.
  5. (figuurlijk) zich bewegen als een zeilend schip
    De gier zeilde traag rond op zijn gespreide vleugels.
    Door een goede voorbereiding is hij vlot door zijn examens gezeild.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • voor de wind zeilen
met de wind mee zeilen
  • tussen de klippen door zeilen
alle hindernissen omzeilen
  • de meeuw zeilt door de lucht
de meeuw zweeft door de lucht (vliegt zonder zijn vleugels te bewegen)
  • de dronkaard zeilt over straat
zwalken
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord zeilen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zeilen o

  1. (sport) een wedstrijdsport met zeilvaartuigen
    Bij het onderdeel zeilen, staat het Nederlandse team er uitstekend voor.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

zeilen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zeil