drijven
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- drij·ven
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| drijven |
dreef |
gedreven |
| klasse 1 | volledig | |
Werkwoord
drijven
- (ergatief)
- op het oppervlakte van een vloeistof (voornamelijk water) rusten
- De in het water gevallen boomstam dreef langzaam naar zee.
- in de lucht zweven
- Traag dreven de wolken door de lucht.
- doornat zijn.
- Toen zij uren in de regen hadden gelopen, dreven ze van het water.
- iets of iemand voor zich uit doen bewegen
- De herders dreven de kudde naar de omheining.
- (handel) plegen, (een zaak) leiden, uitoefenen, besturen
- Hij dreef de zaak met grote kundigheid.
- slaan, (met kracht) inbrengen
- Hij dreef de spijker met krachtige slagen in het hout.
- Zij nam Aeneas' zwaard, drukte de wens uit dat de verrader de rook van haar brandstapel op zee zou zien en dreef het metaal diep in haar lichaam.
- figuren op metaal uitkloppen, ciseleren
- aansporen, bewegen tot
- Deze ontwikkelingen alarmeerden Slovenen en Kroaten, en dreef hen snel richting onafhankelijkheid
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
e1. op het oppervlakte van een vloeistof rusten
e3. doornat zijn
o1. iets of iemand voor zich uit doen bewegen