zeilde
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- zeil·de
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zeilen |
zeilde
- enkelvoud verleden tijd van zeilen
- Ik zeilde.
- Jij zeilde.
- Hij, zij, het zeilde.
- Ik zeilde.
| vervoeging van |
|---|
| zeilen |
zeilde