stomen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- sto·men
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| stomen |
stoomde |
gestoomd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
stomen
- (overgankelijk) iets ter reiniging en desinfectie met stoom bewerken
- Ik heb een apparaatje dat het mogelijk maakt mijn tapijt en bekleding te stomen.
- (inergatief) zichtbaar waterdamp afgeven
- Het vat hete soep stond te stomen.
- (overgankelijk) (kookkunst) etenswaar garen door het in hete stoom te hangen
- Lekker, die gestoomde rijst!
- (verkeer) een voertuig dat aan het voortbewegen is om stoomkracht.
- De twee stoomtreinen stomen het station binnen.