stomen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sto·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stomen
stoomde
gestoomd
zwak -d volledig

Werkwoord

stomen

  1. (overgankelijk) iets ter reiniging en desinfectie met stoom bewerken
    Ik heb een apparaatje dat het mogelijk maakt mijn tapijt en bekleding te stomen.
  2. (inergatief) zichtbaar waterdamp afgeven
    Het vat hete soep stond te stomen.
  3. (overgankelijk) (kookkunst) etenswaar garen door het in hete stoom te hangen
    Lekker, die gestoomde rijst!
  4. (verkeer) een voertuig dat aan het voortbewegen is om stoomkracht.
    De twee stoomtreinen stomen het station binnen.
Vertalingen