omzeilen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- om·zei·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| omzeilen |
omzeilde |
omzeild |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
omzeilen
- (overgankelijk) via een omweg rond een obstakel zijn doel weten te bereiken
- Zo hebben we die file netjes omzeild.
- (overgankelijk) overdrachtelijk een moeilijkheid uit de weg weten te gaan
- Die wet functioneert niet goed; mensen weten de bepalingen maar al te goed te omzeilen.