bijwonen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: bijwonen (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈbɛɪ̯.ʋo.nə(n)/
- (Vlaanderen, Brabant): /ˈbɛː.β̞o.nə(n)/
- (Limburg): /ˈbɛɪ̯.wo.nə(n)/
Woordafbreking
- bij·wo·nen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bijwonen |
woonde bij |
bijgewoond |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
bijwonen
- (overgankelijk) opzettelijk aanwezig zijn bij iets
- Hij woonde de presentatie van de professor bij.