gewoon

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·woon
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gewoon gewoner gewoonst
verbogen gewone gewonere gewoonste

Bijvoeglijk naamwoord

gewoon

  1. iets ~ zijn: ergens aan gewend zijn
    Zij waren gewoon 's zondags naar de kerk te gaan.
  2. alledaags, normaal
    Dit zijn gewone mussen.
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vaste voorzetsels
  • gewoon zijn aan
Vertalingen