bewonen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·wo·nen
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van wonen met het voorvoegsel be-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bewonen
bewoonde
bewoond
zwak -d volledig

Werkwoord

bewonen

  1. (overgankelijk) wonen in, wonen op
    Dit volk bewoonde een aantal eilanden en een stuk van het vasteland.
Vertalingen