woonstee
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- woon·stee
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | woonstee | woonsteden woonstedes |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
- het gebouw waarin men woont
- de woning op een boerderij
- De woonstee stond aan de rechterkant van het erf.