samenwonen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sa·men·wo·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
samenwonen
woonde samen
samengewoond
zwak -d volledig

Werkwoord

samenwonen

  1. met elkaar een huis bewonen alsof je getrouwd bent
Vertalingen