lip
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- lip
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | lip | lippen |
| verkleinwoord | lipje | lipjes |
Zelfstandig naamwoord
lip m
- (anatomie) elk van beide vlezige uitstekels van de mondopening
- dat wat door vorm, functie of plaatsing gelijkenis met een lip heeft
Spreekwoorden
- Aan iemands lippen hangen.
- Bijzonder aandachtig luisteren.
- Het water komt hem tot aan de lippen.
- De nood is hoog gestegen voor hem.
- Op elkaars lip zitten.
- Dicht bij elkaar zitten."
- Op iedereens lippen liggen.
- Algemeen onderwerp van gesprek zijn.
- Tussen neus en lippen.
- In een verloren moment.
Vertalingen
1.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| lippen |
lip
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lippen
- Ik lip.
- gebiedende wijs van lippen
- Lip!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lippen
- Lip je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.