wel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wel

Bijwoord

wel

  1. een ontkenning ontkennend
    Ik denk dat hij het wél gedaan heeft.
  2. een ontkenning bevestigend (met nauwelijks)
    Ik heb veel haar op mijn benen en armen, wel nauwelijks zichtbaar omdat ik heel licht ben.
  3. een toegeving makend
    Hij is wel aanwezig, maar hij let niet op.
  4. benadrukkend, verbazing uitdrukkend
    Hij heeft wel zes pannenkoeken naar binnen zitten werken.
  5. bevestiging zoekend
    Heb je het licht wel uitgedaan?
  6. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord goed, gunstig
    weldoen: Doe wel en zie niet om.
Uitdrukkingen en gezegden
  • wel degelijk
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Tussenwerpsel

wel

  1. uitdrukking van verbazing
    Wel, wel, wie hebben we daar!
enkelvoud meervoud
naamwoord wel wellen
verkleinwoord welletje welletjes

Zelfstandig naamwoord

wel v/m

  1. een plaats waar water uit de grond tevoorschijn komt
    Er zit een wel onder onze kelder en dat water moet afgepompt.
Synoniemen
Afgeleide begrippen


Meer informatie

stellend
onverbogen wel
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

Niet in de woordenlijst van de Taalunie (als bijvoeglijk naamwoord)
wel

  1. gezond, in orde
Antoniemen

Werkwoord

vervoeging van
wellen

wel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wellen
    Ik wel.
  2. gebiedende wijs van wellen
    Wel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wellen
    Wel je?