wagen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wa·gen
enkelvoud meervoud
naamwoord wagen wagens
verkleinwoord wagentje wagentjes

Zelfstandig naamwoord

wagen m

  1. een kar
  2. (verkeer) een auto
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

wagen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord waag
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wagen
waagde
gewaagd
zwak -d volledig

Werkwoord

wagen

  1. (overgankelijk) iets riskants ondernemen
    Er werd een poging gewaagd de rivier over te steken.
  2. (wederkerend) zich ~ : een risico op zich laden
    Daar waagde hij zich niet aan.
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Duits

Woordafbreking
  • wa·gen

Werkwoord

wagen

  1. wagen