wagen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- wa·gen
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | wagen | wagens |
| verkleinwoord | wagentje | wagentjes |
Zelfstandig naamwoord
wagen m
- een kar
- een auto
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. een auto
Zelfstandig naamwoord
wagen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord waag
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| wagen |
waagde |
gewaagd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
wagen
- (overgankelijk) iets riskants ondernemen
- Er werd een poging gewaagd de rivier over te steken.
- (wederkerend) zich ~ : een risico op zich laden
- Daar waagde hij zich niet aan.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. een poging ondernemen
Duits
Woordafbreking
- wa·gen
Werkwoord
wagen
- wagen