opsluiten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- op·slui·ten
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| opsluiten |
sloot op |
opgesloten |
| klasse 2 | volledig | |
Werkwoord
opsluiten
- (overgankelijk) iemand achter slot gevangen zetten
- Hij sloot de hond even op in de achterkamer.