past

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Werkwoord

past

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passen
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passen

Engels

Uitspraak

Voorzetsel

past

  1. voorbij
enkelvoud meervoud
past pasts

Zelfstandig naamwoord

past

  1. verleden
  2. (grammatica) verleden tijd
Persoonlijke instellingen