past
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Werkwoord
past
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passen
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passen
Engels
Uitspraak
Voorzetsel
past
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| past | pasts |
Zelfstandig naamwoord
past
- verleden
- (grammatica) verleden tijd