past
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- past
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| passen |
past
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passen
- Jij past.
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passen
- Hij past.
- verouderde gebiedende wijs meervoud van passen
- Past!
Engels
Uitspraak
Voorzetsel
past
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| past | pasts |
Zelfstandig naamwoord
past