passen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(heteroniem)

Woordafbreking
  • pas·sen

Zelfstandig naamwoord

passen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord pas
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
passen
paste
gepast
zwak -t volledig

Werkwoord

passen

  1. (absoluut) precies de goede maat zijn, erin kunnen
    Dit jasje past me goed.
  2. (overgankelijk) zien of iets de juiste maat is
    Die broek is al gepast en zit goed, nu deze nog even proberen.
  3. (inergatief) (kaartspel) (bridge) een biedbeurt voorbij laten gaan
    Daarna werd er drie keer gepast en zat hij met een ongelukkig bod aan zijn broek.
Vertalingen