passen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(heteroniem)

Woordafbreking
  • pas·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
passen
paste
gepast
zwak -t volledig

Werkwoord

passen

  1. (absoluut) precies de goede maat zijn, erin kunnen
    Dit jasje past me goed.
  2. (overgankelijk) zien of iets de juiste maat is
    Die broek is al gepast en zit goed, nu deze nog even proberen.
  3. (inergatief) (kaartspel) (bridge) een biedbeurt voorbij laten gaan
    Daarna werd er drie keer gepast en zat hij met een ongelukkig bod aan zijn broek.
  4. (onovergankelijk) schikken, uitkomen, voegen, gelegen komen
    Past het u dat ik morgen langs kom?
  5. (onovergankelijk) (spel) een beurt voorbij laten gaan
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
passen
passte
gepasst
zwak -t volledig

Werkwoord

  1. (overgankelijk) (sport) (de bal) naar een medespeler spelen

Zelfstandig naamwoord

passen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord pas
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl