passen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pas·sen
Zelfstandig naamwoord
passen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord pas
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| passen |
paste |
gepast |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
passen
- (onovergankelijk) precies de goede maat zijn, erin kunnen
- Dit jasje past me goed.
- (overgankelijk) zien of iets de juiste maat is
- Die broek is al gepast en zit goed, nu deze nog even proberen.