passen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Woordafbreking
  • pas·sen

Zelfstandig naamwoord

passen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord pas
Uitspraak
Woordafbreking
  • pas·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
passen
paste
gepast
zwak -t volledig

Werkwoord

passen

  1. precies de goede maat zijn, erin kunnen
    Dit jasje past me goed.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen