oor
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- oor
Woordherkomst en -opbouw
|
|
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | oor | oren |
| verkleinwoord | oortje | oortjes |
Zelfstandig naamwoord
oor o
- (anatomie) het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
- (numismatiek) een oude Nederlandse munt
- handvat waaraan je een stuk servies kunt optillen
Hyponiemen
- domoor, ezelsoor, judasoor, lamsoor, linkeroor, mansoor, middenoor, muizenoor, olifantsoor, wangoor, zeeoor,
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
- Kleine potjes hebben grote oren.
Men moet voorzichtig zijn met wat men zegt als er kinderen in de buurt zijn.
Uitdrukkingen en gezegden
- iemand een oor aannaaien
iemand beetnemen
- een oor te luisteren leggen
onderzoeken wat een ander van iets vindt
Vertalingen
1. het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
|
|
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Afrikaans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | oor | ore |
Zelfstandig naamwoord
oor