maat

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Lettergrepen
maat

Zelfstandig naamwoord

3 - 4 - 5 - 6 enkelvoud meervoud
naamwoord maat maten
verkleinwoord maatje maatjes
1 - 2 enkelvoud meervoud
naamwoord maat maats, maten
verkleinwoord maatje maatjes
  1. maat m ; kameraad, makker, metgezel, vriend
  2. maat m ; (in het kaartspel) partner
  3. maat de; (gestandaardiseerde) eenheid van lengte, oppervlakte of inhoud
  4. maat de; juiste afmeting, geschikt formaat: software op maat, onder de maat
  5. maat de; aanduiding van de grootte van een kledingstuk of schoen: een maatje te groot
  6. maat de; manier om een muziekstuk ritmisch in te delen: maat houden

Afgeleide begrippen
1. ploegmaat
3. inhoudsmaat, lengtemaat, oppervlaktemaat, vlaktemaat; maatbeker
4. ondermaats
5. cupmaat, schoenmaat
6. driekwartsmaat

Vertalingen
makker
kaartpartner
eenheid van lengte enz.
juiste afmeting
grootte van kledingstuk/schoen
muziekmaat

Spreekwoorden
1. met twee maten meten


Meer informatie

Aspecten/acties
Persoonlijke instellingen