maat
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- maat
| 1 - 2 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | maat | maats, maten |
| verkleinwoord | maatje | maatjes |
| 3 - 4 - 5 - 6 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | maat | maten |
| verkleinwoord | maatje | maatjes |
Zelfstandig naamwoord
maat
- m kameraad, makker, metgezel, vriend
- Hij wilde met zijn maten naar de kroeg, maar zijn vriendin was daar niet zo blij mee.
- m (in het kaartspel) partner
- Hij speelde de slag naar zijn maat toe.
- v/m (gestandaardiseerde) eenheid van lengte, oppervlakte of inhoud
- Om de juiste maat af te meten, gebruik je best een maatbeker.
- v/m juiste afmeting, geschikt formaat: software op maat, onder de maat
- Onze keukenkasten zijn op maat gemaakt om de ruimte optimaal te benutten.
- v/m aanduiding van de grootte van een kledingstuk of schoen: een maatje te groot
- Toen ik klein was, kocht mijn moeder mijn kleren altijd een maat te groot.
- v/m (muziek) manier om een muziekstuk in te delen: maat houden
- De dirigent wilde graag beginnen bij maat 46.
Afgeleide begrippen
- [1] ploegmaat
- [3] inhoudsmaat, lengtemaat, oppervlaktemaat, vlaktemaat; maatbeker
- [4] ondermaats
- [5] cupmaat, schoenmaat
- [6] driekwartsmaat
Spreekwoorden
Vertalingen
1. makker
3. eenheid van lengte enz.
5. grootte van kledingstuk/schoen
6. (muziek) manier om een muziekstuk ritmisch in te delen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| meten |
maat
- gij-vorm verleden tijd van meten
- Gij maat.