hut
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- hut
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hut | hutten |
| verkleinwoord | hutje | hutjes |
Zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) een primitieve behuizing voor mens en huisdier, gemaakt van ter plaatse aanwezig materiaal: hout, plaggen, leem e.d. (een behuizing voor uitsluitend dieren, wordt nooit een 'hut' genoemd)
- Gelukkig staan de meeste hutjes nu in een openluchtmuseum.
- een schuilgelegenheid in de bergen
- De vorige bewoners hadden de hut netjes achtergelaten.
- een eenvoudige behuizing als vacantieverblijf op een kampeerterrein of in recreatiegebied
- Op het terrein staan ook enkele trekkershutten.
- (scheepvaart) een ruimte aan boord van een schip voor werkzaamheden van de bemanning, of als accommodatie voor passagiers
- De patrijspoort in de hut was gesloten.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
- [1] plaggenhut
- [2] alpenhut, berghut, schuilhut
- [3] blokhut, kampeerhut, trekkershut
- [4] radiohut, scheeophut, stuurhut
Verwante begrippen
- [1] abri, afdak, beschutting, huis, huisvesting, iglo, noodwoning, onderdak, woning
- [2] herberg, onderdak, schuilplaats
- [3] bivak, kamp, kampeertent, logies, motel
- [4] bemanning, kamer, kombuis, kaartenkamer, kajuit, passagier, slaapkamer, stuurhuis
Vertalingen
1. een primitieve woning
Na te kijken
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.