hut

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Kolenbrandershut in Zweden [1]
Alpenhut [2]
Vacantieverblijf [3]
[4] Scheepshut voor bemanning [4]

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hut
enkelvoud meervoud
naamwoord hut hutten
verkleinwoord hutje hutjes

Zelfstandig naamwoord

hut v/m

  1. (bouwkunde) een primitieve behuizing voor mens en huisdier, gemaakt van ter plaatse aanwezig materiaal: hout, plaggen, leem e.d. (een behuizing voor uitsluitend dieren, wordt nooit een 'hut' genoemd)
    Gelukkig staan de meeste hutjes nu in een openluchtmuseum.
  2. een schuilgelegenheid in de bergen
    De vorige bewoners hadden de hut netjes achtergelaten.
  3. een eenvoudige behuizing als vacantieverblijf op een kampeerterrein of in recreatiegebied
    Op het terrein staan ook enkele trekkershutten.
  4. (scheepvaart) een ruimte aan boord van een schip voor werkzaamheden van de bemanning, of als accommodatie voor passagiers
    De patrijspoort in de hut was gesloten.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie