herberg
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- her·berg
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig van het Middelnederlandse herberghe, een samenstelling van heer (leger) en bergen, dus "een plaats waar een leger geborgen wordt". Verwant met het Engelse harbour of harbor. "Heer" in de betekenis van leger vindt men ook terug in hertog (legerleider), heerweg of heirbaan (legerweg), en heerman (soldaat).
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | herberg | herbergen |
| verkleinwoord | herbergje | herbergjes |
Zelfstandig naamwoord
- een eenvoudig hotel
- Hij verbleef die nacht in een herberg.
Vertalingen
1. een eenvoudig hotel
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| herbergen |
herberg
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van herbergen
- Ik herberg.
- gebiedende wijs van herbergen
- Herberg!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van herbergen
- Herberg je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.