abri

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • abri
enkelvoud meervoud
naamwoord abri abri's
verkleinwoord abrietje abrietjes

Zelfstandig naamwoord

abri m

  1. een wachthuisje bij een halte van het openbaar vervoer
    Hij schuilde in een abri tegen de motregen.
Vertalingen