abri
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- abri
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | abri | abri's |
| verkleinwoord | abrietje | abrietjes |
Zelfstandig naamwoord
abri m
- een wachthuisje bij een halte van het openbaar vervoer
- Hij schuilde in een abri tegen de regen.