verblijven
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ver·blij·ven
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| verblijven |
verbleef |
verbleven |
| klasse 1 | volledig | |
Werkwoord
verblijven
- (inergatief) tijdelijk wonen, ergens tijd doorbrengen
- Hij verbleef enige tijd in een gerenommeerd hotel in het centrum van de stad.
- Dit is een gebouw waar soms illegaal verbleven wordt.
Vertalingen
1. tijdelijk wonen, ergens tijd doorbrengen
Zelfstandig naamwoord
verblijven mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord verblijf