haven
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ha·ven
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | haven | havens |
| verkleinwoord | haventje | haventjes |
Zelfstandig naamwoord
haven v
- (waterstaat) natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- veilige haven
- veilige plaats waar men neerstrijkt na verblijf in een onveilige situatie
Vertalingen
1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
Zelfstandig naamwoord
haven mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord haaf
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| havenen |
haven
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van havenen
- Ik haven.
- gebiedende wijs van havenen
- Haven!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van havenen
- Haven je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Zweeds
Zelfstandig naamwoord
- bepaalde vorm meervoud van hav