haven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·ven
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord haven havens
verkleinwoord haventje haventjes

Zelfstandig naamwoord

haven v

  1. (waterstaat) natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • veilige haven
  • veilige plaats waar men neerstrijkt na verblijf in een onveilige situatie
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

haven mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord haaf

Werkwoord

vervoeging van
havenen

haven

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van havenen
    Ik haven.
  2. gebiedende wijs van havenen
    Haven!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van havenen
    Haven je?

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Zweeds

Zelfstandig naamwoord

haven o mv

  1. bepaalde vorm meervoud van hav