filter

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fil·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • Via Frans en/of Duits ontleend aan Middeleeuws Latijn filtrum «zeefdoek», op zijn beurt ontleend aan een Germaans woord verwant aan vilt.
enkelvoud meervoud
naamwoord filter filters
verkleinwoord filtertje filtertjes

Zelfstandig naamwoord

filter m of o

  1. (scheikunde) (huishouden) een poreus voorwerp waar water of gassen doorheen kunnen om gezuiverd te worden
    Met zo'n filter krijg je deze rommel zeker uit het water.
    als de gaatjes in het filter groot zijn, spreekt men meestal van een zeef
  2. (fotografie) (optica) voorwerp om een bepaald deel van het lichtspectrum tegen te houden (blauwfilter, geelfilter, kleurfilter, lichtfilter, roodfilter, polarisatiefilter, ultravioletfilter)
  3. (elektrotechniek) (elektronica) een apparaat dat trillingen van verschillende frequentie niet in gelijke mate doorlaat
    Vroeger waren condensatoren en spoelen onontbeerlijk voor de constructie van een goed filter
    met de komst van enigszins betaalbare computers ontstond het vakgebied digitale signaalverwerking hetgeen de mogelijkheden van filtertechnieken enorm vergrootte
  4. (informatica) software om de toegang tot ongewenste internetpagina's te verhinderen danwel ongewenste e-mails te blokkeren (internetfilter, netfilter, pornofilter, spamfilter)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
filteren

filter

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van filteren
    Ik filter.
  2. gebiedende wijs van filteren
    Filter!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van filteren
    Filter je?

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen