filter
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- fil·ter
Woordherkomst en -opbouw
- Via Frans en/of Duits ontleend aan Middeleeuws Latijn filtrum «zeefdoek», op zijn beurt ontleend aan een Germaans woord verwant aan vilt.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | filter | filters |
| verkleinwoord | filtertje | filtertjes |
Zelfstandig naamwoord
- (scheikunde) (huishouden) een poreus voorwerp waar water of gassen doorheen kunnen om gezuiverd te worden
- Met zo'n filter krijg je deze rommel zeker uit het water.
- als de gaatjes in het filter groot zijn, spreekt men meestal van een zeef
- (fotografie) (optica) voorwerp om een bepaald deel van het lichtspectrum tegen te houden (blauwfilter, geelfilter, kleurfilter, lichtfilter, roodfilter, polarisatiefilter, ultravioletfilter)
- (elektrotechniek) (elektronica) een apparaat dat trillingen van verschillende frequentie niet in gelijke mate doorlaat
- Vroeger waren condensatoren en spoelen onontbeerlijk voor de constructie van een goed filter
- met de komst van enigszins betaalbare computers ontstond het vakgebied digitale signaalverwerking hetgeen de mogelijkheden van filtertechnieken enorm vergrootte
- (informatica) software om de toegang tot ongewenste internetpagina's te verhinderen danwel ongewenste e-mails te blokkeren (internetfilter, netfilter, pornofilter, spamfilter)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
1. een voorwerp met kleine gaatjes waar water of gassen doorheen kunnen om gezuiverd te worden
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| filteren |
filter
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van filteren
- Ik filter.
- gebiedende wijs van filteren
- Filter!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van filteren
- Filter je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.