zeef
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zeef
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zeef | zeven |
| verkleinwoord | zeefje | zeefjes |
Zelfstandig naamwoord
- (gereedschap) een voorwerp met veel gaatjes voor het scheiden van een vloeistof of fijn poeder van de zich de daarin bevindende grotere vaste delen
- Heb je een zeefje voor de theeblaren?
- als de gaatjes in het filter zeer klein zijn, spreekt men meestal van een filter
Vertalingen
1. een voorwerp met veel gaatjes voor het scheiden van een vloeistof of fijn poeder van de zich de daarin bevindende grotere vaste delen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zeven |
zeef
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeven
- Ik zeef.
- gebiedende wijs van zeven
- Zeef!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeven
- Zeef je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.