dichtmaken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dicht·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dichtmaken
maakte dicht
dichtgemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

dichtmaken

  1. een opening afsluiten
    Ze hebben het gat in de dijk al dichtgemaakt.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen