dam
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Universeel
Woordherkomst en -opbouw
Symbool
dam
- (natuurkunde), (wiskunde), (eenheid) het symbool voor decameter, een lengte van 10 meter of 0,01 kilometer
Verwante begrippen
| eenheden van lengte |
|---|
| ym • zm • am • fm • pm • nm • μm • mm • cm • dm • m • dam • hm • km • Mm • Gm • Tm • Pm • Em • Zm • Ym |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- dam
| [1-2] | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | dam | dammen |
| verkleinwoord | dammetje | dammetjes |
Zelfstandig naamwoord
| [3] | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | dam | dammen |
| verkleinwoord | (dammetje) | (dammetjes) |
dam
- m: (waterstaat) een relatief smalle, massieve bodemophoging in een waterweg om wegverkeer tussen de oevers mogelijk te maken en/of ter bescherming tegen overstromingen
- In het Deltaplan is de functie van een dam primair de kustverdediging.
- m: (waterstaat) een vaste waterkering, aangelegd voor de waterbeheersing en doorgaans voorzien van regelbare doorlaatopeningen of sluizen
- v/m: (spel) (bij het damspel) twee gestapelde schijven.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
- [1] dijk, golfbreker, havenhoofd, landhoofd, pier, stuwmeer, talud, wal
Vertalingen
1,2 een waterkering
3. (bij het damspel) twee gestapelde schijven
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| dammen |
dam
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dammen
- Ik dam.
- gebiedende wijs van dammen
- Dam!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dammen
- Dam je?
Engels
Uitspraak
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| dam | dams |
Zelfstandig naamwoord
dam
- (waterstaat) dam (een scheiding tussen twee wateren: zee, stuwmeer, rivier etc.)