dijk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- dijk
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | dijk | dijken |
| verkleinwoord | dijkje | dijkjes |
Zelfstandig naamwoord
dijk m
- (waterstaat) een waterkering ter bescherming van het achterliggende land
- De dijk langs de rivier was erg bochtig.
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- Aan de dijk gezet worden
Afgedankt, ontslagen worden
- Dat zet geen zoden aan de dijk
Daar schieten we niets mee op
- Wie niet dijken wil moet wijken
Men moet kiezen of delen
Vertalingen
1. een waterkering ter bescherming van het achterliggende land
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.