cross

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
cross crosses

Zelfstandig naamwoord

cross

  1. kruis
vervoeging
onbepaalde wijs to cross
he/she/it crosses
verleden tijd crossed
voltooid
deelwoord
crossed
onvoltooid
deelwoord
crossing
gebiedende wijs cross

Werkwoord

cross

  1. kruisen
    Those two roads do not cross anywhere.
    «Die twee wegen kruisen elkaar nergens.»
  2. oversteken
    He crossed the street.
    «Hij stak de straat over.»
  3. dóórtrekken
    They were crossing the Sahara when disaster struck.
    «Ze waren bezig de Sahara door te trekken toen er een ramp gebeurde.»
  4. kwaad maken, dwarsbomen
    You'll rue the day you tried to cross me, Tom Hero!" bellowed the villain.
    «"Je zult de dag berouwen dat je getracht hebt me te dwarsbomen, Tom Hero" brulde de schurk.»
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen