combineren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • com·bi·ne·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
combineren
combineerde
gecombineerd
zwak -d volledig

Werkwoord

combineren

  1. (overgankelijk) door elkaar doen
    Door deze rode en witte verf te combineren krijg je roze verf.
  2. (overgankelijk) tegelijk dragen
    Je kunt die trui goed combineren met je nieuwe spijkerbroek.
Synoniemen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen