combineren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- com·bi·ne·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| combineren |
combineerde |
gecombineerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
combineren
- (overgankelijk) door elkaar doen
- Door deze rode en witte verf te combineren krijg je roze verf.
- (overgankelijk) tegelijk dragen
- Je kunt die trui goed combineren met je nieuwe spijkerbroek.
Synoniemen
- [1] samenvoegen