combineren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • com·bi·ne·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
combineren
combineerde
gecombineerd
zwak -d volledig

Werkwoord

combineren (overgankelijk)

  1. door elkaar doen
    Door deze rode en witte verf te combineren krijg je roze verf.
  2. tegelijk dragen
    Je kunt die trui goed combineren met je nieuwe spijkerbroek.
  3. met elkaar in verband brengen, verbinden
  4. (sport) samenspel plegen
    combineren bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Afgeleide begrippen
Synoniemen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl