associëren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • as·so·cië·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
associëren
associeerde
geassocieerd
zwak -d volledig

Werkwoord

associëren

  1. tot compagnon maken of nemen
    Het associëren bracht voor beide partijen voordeel bij.
  2. (overgankelijk) een betrekking leggen tussen twee begrippen
    Hij associeerde dat woord altijd met zijn slechte ervaringen als kind.
Vertalingen