verbinden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ver·bin·den
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| verbinden |
verbond |
verbonden |
| klasse 3 | volledig | |
Werkwoord
verbinden
- (overgankelijk) twee of meer onderdelen aan elkaar vastmaken
- De twee schepen werden met een kabel verbonden.
- met iets of iemand contact maken via de telefoonlijn
- Vroeger moest je met de hand verbonden worden door een telefoniste.
- (wederkerend) zich ~ tot een dwingende verplichting aangaan
- Hij weigerde zich ertoe te verbinden.
Vertalingen
1. twee of meer onderdelen aan elkaar vastmaken