koppelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kop·pe·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
koppelen
koppelde
gekoppeld
zwak -d volledig

Werkwoord

koppelen

  1. (overgankelijk) vast aan elkaar verbinden
    De twee rijtuigen werden aan de trein gekoppeld en de reis begon.