koppelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kop·pe·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| koppelen |
koppelde |
gekoppeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
koppelen
- (overgankelijk) vast aan elkaar verbinden
- De twee rijtuigen werden aan de trein gekoppeld en de reis begon.