barn

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • barn
enkelvoud meervoud
naamwoord barn barns
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

barn m

  1. (natuurkunde) eenheid van oppervlakte in de atoomfysica, 10−28
Vertalingen


Deens

Zelfstandig naamwoord

barn o

  1. (familie) kind
    «Børnene går til skolen med bus.»
    De kinderen gaan naar school met de bus.
Verbuiging



Engels

enkelvoud meervoud
barn barns

Zelfstandig naamwoord

barn

  1. (bouwkunde) schuur
  2. (natuurkunde) barn


Faeröers

Zelfstandig naamwoord

barn o

  1. (familie) kind
Verbuiging



Frans

enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  barn     le barn     barns     les barns  

Zelfstandig naamwoord

barn m

  1. (natuurkunde) barn


IJslands

Zelfstandig naamwoord

barn o

  1. (familie) kind
Verbuiging



Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • barn
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord barn.
Naar frequentie 241

Zelfstandig naamwoord

barn o

  1. (familie), (sociologie) kind (jong persoon)
    «Filmen er forbudt for barn
    De film is voor kinderen verboden.
  2. kind (afstammeling)
    «Hun er for gammel til å få barn
    Ze is te oud om kinderen te krijgen.
  3. onvolwassen, infantiel persoon
    «Han er og blir et stort barn
    Hij is en blijft een groot kind.
  4. (natuurkunde) barn
Verbuiging
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • [1]: Av barn og fulle folk får man høre sannheten.
Kinderen en dronken mensen spreken de waarheid.
  • [1]: Kjært barn har mange navn.
Een lief kind heeft vele namen.
  • [1]: Brent barn skyr ilden.
Verbrandt kind schuwt het vuur.
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: Kvinner og barn ble reddet først.
Vrouwen en kinderen werden het eerst gered.
  • [1]: være glad i barn
dol op kinderen zijn
  • [1]: glede seg som et barn
genieten als een kind
  • [1]: Hun er bare barnet.
Ze is juist een kind.


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • barn
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord barn.

Zelfstandig naamwoord

barn o

  1. (familie), (sociologie) kind (jong persoon)
    «Ho er berre barnet enno.»
    Ze is toch nog wel een kind.
  2. kind (afstammeling)
    «Oldemor til borna mine er langt over 90 år.»
    De overgrootmoeder van mijne kinderen is ruim 90 jaar.
  3. (natuurkunde) barn
Verbuiging
Afgeleide begrippen


Zweeds

Zelfstandig naamwoord

barn o

  1. (familie) kind
  2. (natuurkunde) barn
Verbuiging
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen