schuur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schuur
enkelvoud meervoud
naamwoord schuur schuren
verkleinwoord schuurtje schuurtjes

Zelfstandig naamwoord

schuur v/m

  1. (bouwkunde) een opslagplaats bij het huis
    Zet die fiets eens in de schuur.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
schuren

schuur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schuren
    Ik schuur.
  2. gebiedende wijs van schuren
    Schuur!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schuren
    Schuur je?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen