ban

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ban
enkelvoud meervoud
naamwoord ban bannen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ban v/m

  1. (juridisch) (verouderd) het rechtsgebied van een bepaalde stad
  2. in de ~ doen uitsluiten van de kerkgemeenschap
    De paus trachtte de keizer in de ban te doen en zo ontstond er een conflict.
  3. het dwangmatig door iets of iemand gebonden zijn
    In de ban van de ring.
Verwante begrippen

Werkwoord

vervoeging van
bannen

ban

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bannen
    Ik ban.
  2. gebiedende wijs van bannen
    Ban!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bannen
    Ban je?


Angelsaksisch

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

ban o

  1. bot


Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to ban
he/she/it bans
verleden tijd banned
voltooid
deelwoord
banned
onvoltooid
deelwoord
banning
gebiedende wijs ban

Werkwoord

ban

  1. uitbannen, verbannen, bannen


Twi

Zelfstandig naamwoord

ban

  1. hek


Wolof

Uitspraak

Vragend voornaamwoord

ban

  1. welk?

Zelfstandig naamwoord

ban

  1. modder, klei

Werkwoord

ban

  1. believen, plezier doen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen