bannen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ban·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bannen
bande
gebannen
gemengd volledig

Werkwoord

bannen

  1. (overgankelijk) iemand de toegang tot iets weigeren
    Hij werd wegens wangedrag op het forum gebannen.

Zelfstandig naamwoord

bannen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ban


Duits

Werkwoord

bannen

  1. uitbannen


Middelnederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden tijd voltooid
deelwoord
enkelvoud meervoud
bannen bien bienen ghebannen
klasse 7 volledig  


Werkwoord

bannen

  1. verbannen, verdrijven