rekenen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·ke·nen
Vaste voorzetsels
  • rekenen op
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rekenen
rekende
gerekend
zwak -d volledig

Werkwoord

rekenen

  1. (inergatief) (wiskunde) getallen manipuleren
    Hij rekent erg langzaam, maar wel foutloos.
  2. (inergatief) in rekening brengen, factureren
    Deze garage rekent veel voor het vervangen van een uitlaat.
  3. (inergatief) ~ op vast vertrouwen op de uitkomst van een berekening of afspraak
    Daar was niet op gerekend.
Afgeleide begrippen
Vertalingen