zwiwwle

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwiww·le
vervoeging
tegenwoordige tijd, aantonende wijs, bedrijvende vorm
onbepaalde
wijs
zwiwwle
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gezwiwwelt
enkelvoud meervoud
1e persoon ich zwiwwel mir zwiwwle
2e persoon du zwiwwelscht dihr / der
dihr / der
ihr / er
ihr / er
nihr / ner
zwiwwelt
zwiwwle


3e persoon er zwiwwelt sie
sie zwiwwelt
es zwiwwelt

Werkwoord

zwiwwle

  1. jennen, judassen, klieren, pesten, treiteren
Opmerkingen