treiteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trei·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
treiteren
treiterde
getreiterd
zwak -d volledig

Werkwoord

treiteren

  1. overgankelijk rottigheid uithalen ten nadele van iemand met het doel diegene dwars te zitten
    • Sommige mensen kunnen het niet laten geregeld iemand te treiteren. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl