treiteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trei·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘plagen’ voor het eerst aangetroffen in 1733 [1] [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
treiteren
treiterde
getreiterd
zwak -d volledig

Werkwoord

treiteren

  1. overgankelijk rottigheid uithalen ten nadele van iemand met het doel diegene dwars te zitten
    • Sommige mensen kunnen het niet laten geregeld iemand te treiteren. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen