zweren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zweren
/'zʋɪːrə(n)/
zwoer
/zʋur/
gezworen
/ɣə'zʋɔːrə(n)/
klasse 6 volledig 1.
Uitspraak
Woordafbreking
  • zwe·ren

Werkwoord

zweren

  1. overgankelijk een eed afleggen
    • Hij zwoer een eed op de grondwet. 
  2. absoluut het infectieproces van een wond, etteren
    • Ondanks medicatie zwoor die wond nog wekenlang. 
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zweren
/'zʋɪːrə(n)/
zweerde
zwoor
/'zʋɪːrdə/, /zʋɔːr/
gezworen
/ɣə'zʋɔːrə(n)/
klasse 2

gemengd

volledig 2.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Bij kris en kras zweren
Zweren dat je het niet gedaan hebt
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

zweren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zweer

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.