zwoer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwoer

Werkwoord

vervoeging van
zweren

zwoer

  1. enkelvoud verleden tijd van zweren
    • Ik zwoer. 
    • Jij zwoer. 
    • Hij, zij, het zwoer. 
Opmerkingen
  • Alleen in de betekenis van een eed afleggen.

Meer informatie