bezweren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zwe·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bezweren
bezwoer
bezworen
klasse 6 volledig

Werkwoord

bezweren

  1. overgankelijk met een soort toverspreuk onder controle proberen te brengen
    • Hij wist heus wel dat hij vooral uit een soort bijgeloof de komende wapenstilstand niet serieus wilde nemen: hoe meer je hoopt op vrede, hoe minder geloof je eraan hecht als die wordt aangekondigd, om zo het noodlot te bezweren. [1] 
  2. overgankelijk (overdrachtelijk) een dreiging onder controle weten te brengen
    • Het brandgevaar werd door de brandweer bezworen. 
    • Het gevaar van een epidemie is nog niet bezworen. 
  3. heel sterk beloven
    • Hij bezwoer dat hij de misdaad nooit meer zal begaan. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Lemaitre, Pierre Tot ziens daarboven 2014 ISBN 9789401601931 pagina 11