zweer
Uiterlijk
- zweer
- In de betekenis van ‘ontsteking’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zweer | zweren |
| verkleinwoord | zweertje | zweertjes |
- (medisch) ontstoken plek, infectie
- Hij heeft een zweer op zijn hand.
| vervoeging van |
|---|
| zweren |
zweer
- Het woord zweer staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "zweer" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "zweer" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ “De schreeuw van het lam” (1994), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 902451990X - ↑ “Corps delcti” (2009), Ambo/Anthos uitgevers
, ISBN 9789041417480 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be