verzweren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·zwe·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verzweren
verzwoor
verzworen
klasse 2 volledig

Werkwoord

[A] verzweren

  1. ergatief, onpersoonlijk tot een zweer verworden, ontstoken raken
    • De wonde verzwoor en wilde niet genezen. 
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verzweren
verzwoer
verzworen
klasse 2 volledig

Werkwoord

[B] verzweren

  1. overgankelijk afzweren
    • Hij verzwoer de alcohol. 
  2. zich~ zich middels een eed verbinden

Gangbaarheid

54 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be